Hilvarenbeek

In 1157 komen wij Hilvarenbeek voor het eerst tegen onder de naam Beke, (uitspraak Beek). Hilvarenbeek heeft in de loop van de tijd verschillende naamsontwikkelingen gekend. Zo noemde men deze plaats in de 13e eeuw Beika , in 1304 Hildewaren beke en in 1350 verandert dit in Hildewairdenbeke, Hilvarembeke. In 1331 heeft men het over Beke sancte Hildewardis. Volgens een late overlevering gaat de toevoeging Hilvaren terug op de dienstmaagd van de Heilige Oda, Hildeware, die hier een kerk zou hebben gesticht. Onduidelijk is de relatie van de plaatsnaam met het nabije beekje de Hilver op de grens met België.

Reeds omstreeks 990 werd hier een tufstenen kerkje gesticht, gewijd aan Sint-Petrus'-Banden, dat later werd verbouwd en reeds in 1157 werd verheven tot Kapittelkerk. In dit jaar werd Hilvarenbeek voor het eerst schriftelijk vermeld als Beek, terwijl van de buurtschap Westerwijk reeds in 1147 melding werd gemaakt als Wystreuuic. Hier lagen leengoederen van de Abdij van Thorn.

Bestuurlijk was Hilvarenbeek, samen met Diessen, Westelbeers en Riel, een heerlijkheid die bestuurd werd door twee halfheren, namelijk de Hertog van Brabant en de Prinsbisschop van Luik. De rechten van de laatsten kwamen in handen van de adellijke geslachten Van Herlaar, Van Horne, Van Leefdaal, Van Pietersheim en Van Merode. De laatste telg van dit geslacht, Ferdinand van Merode, moest in 1672 wegens financiële problemen zijn rechten verkopen. Deze werden gekocht door de schuldeiseres Catharina Stevens, die weduwe was van Hendrik de Cort uit Brussel. Hendrik was secretaris van de Raad van Brabant te Brussel, maar in 1613 te Hilvarenbeek geboren. Tot 1779 bleef de familie De Kort eigenaar van de halve rechten, maar toen werden deze verkocht aan Michiel Hubert, die oud-schepen was van Rotterdam.

De rechten van de Hertog van Brabant gingen in 1648 over op de Staten-Generaal van de Nederlanden.
In 1795 werden de heerlijke rechten beperkt en in 1798 werden ze opgeheven. Het jachtrecht bleef echter bestaan en dit werd in 1790 verkocht aan Peter Bouwens, bewoner van het Huis Groenendaal. Het bleef aldaar berusten, waarop de bewoners van dit huis zich tooiden met de titel Heer van Groenendaal, hoewel dit geen enkele inhoud meer had. In 1923 kwam de Jachtwet tot stand en werd ook het Jachtrecht opgeheven.

Niet alleen was Hilvarenbeek een heerlijkheid, maar tevens een vrijheid. Het had dus bepaalde rechten, zoals marktrecht, maar mocht zich niet van een verdedigingsmuur voorzien.
Hilvarenbeek was van 14 mei 1810 tot 1997 een gemeente waarvan ook het dorp Esbeek deel uitmaakte. Sinds 1 januari 1997 is deze gemeente gefuseerd met de gemeente Diessen tot de huidige gemeente Hilvarenbeek.

In 1388 werd Hilvarenbeek verwoest door de Geldersen, maar daarna groeide het dorp, omdat het langs een handelsroute komt te liggen, uit tot een welvarende plaats, zoals nog te zien is aan de forse kerktoren. In 1451 was sprake van een Lakenhal aan de Vrijthof en ook waren er wevers van wol en tijk actief. Daarnaast bestond er echter armoede en van 1472-1480 was er zelfs een hongersnood. Ondanks dit alles was Hilvarenbeek een intellectueel centrum met een kapittelschool die tot 1585 heeft bestaan. Omstreeks deze tijd vonden er ook verwoestingen plaats die het gevolg waren van de Tachtigjarige Oorlog. Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) herstelde de economie zich weer, er waren weer wevers actief, die ook linnen verwerkten, en daarnaast leerbewerkers, hoeden- en klompenmakers, gareel- en zadelmakers, kuipers, touwslagers, wagenmakers, hoefsmeden, en stoelenmakers. De handelsroute van Antwerpen via Turnhout naar Keulen kwam door Hilvarenbeek te lopen, hetgeen de komst van herbergen met zich meebracht.

In 1648 kwam Hilvarenbeek aan de grens te liggen en deel van Staats-Brabant. In 1650 mislukte de oogst en daarna teisterden tal van rampen het dorp, zoals inkwartiering van de Fransen in 1672-1678, een dorpsbrand in 1694, en plunderingen op 17 november 1708 tijdens de Spaanse Successieoorlog. Dit alles leidde tot groeiende armoede, het uitbreken van ziekten en het wegtrekken van de bevolking. De economie stortte in en in 1729 verdween ook nog het belang van de handelsroute naar Luik.
Enig herstel kwam in de 2e helft van de 18e eeuw, maar in 1792 was er opnieuw een grote dorpsbrand.
In 1814, na de val van Napoleon, had het dorp opnieuw te lijden van inkwartieringen van vele troepen, waardoor bovendien besmettelijke ziekten uitbraken. In 1830, toen de Belgische Opstand was uitgebroken, ontstonden er opnieuw problemen. Opnieuw moesten er, nu Nederlandse, troepen worden ingekwartierd, die bovendien een oogje in het zeil hielden aangezien men aan de loyaliteit van de Brabanders aan de Nederlandse zaak twijfelde. Er vond toen nog een overval plaats door Belgische muiters op het huis van dominee Jacob van Heusden, terwijl 18 inwoners van Hilvarenbeek uit het Nederlandse leger deserteerden. Dit leidde tot zware straffen, en één van de deserteurs werd zelfs tot de strop veroordeeld. Deze straf werd later in tien jaar dwangarbeid omgezet.
Nadat België was afgescheiden kwam Hilvarenbeek weer aan de grens te liggen en bracht de smokkel extra nevenverdiensten. Onder meer jenever en zout behoorden tot de smokkelwaren.
In 1842 werden 13 huizen verwoest door een brand die vermoedelijk was aangestoken.

Hilvarenbeek bevat uitgestrekte woeste gronden. In 1331 gaf de toenmalige halfheer, Rogier van Leefdaal, de gemeenterechten uit aan de inwoners. In 1441 kregen deze bovendien pootrecht.
Bos was er nog nauwelijks, hoewel Cornelis Bles, leenman van Gorp, iets na 1758 een warande aanlegde in de vorm van een sterrenbos, het Starrebos genaamd. Op het einde van de 18e eeuw was er slechts ongeveer 150 ha aan bos, voornamelijk poothout.
Hoewel de gemeenschappelijke gronden noodzakelijk waren voor de boeren om in mest de voorzien, heeft de gemeente in de 19e eeuw veel ervan verkocht als ze geld nodig had.
De eerste verkoop vond plaats in 1857, toen baron Eugene François Joseph de Zerezo de Tejada, eigenaar van Gorp, een groot stuk land van de gemeente kocht en bij zijn landgoed voegde. Zijn zoon verbraste zijn bezit, waarop het landgoed in 1894 werd verkocht aan Willem van Beusekom en de Hilvarenbeekse notaris Huijsmans. De laatste kocht nog veel meer grond op, maar na zijn dood in 1920 werd het bezit door zijn weduwe weer verkocht, en uiteindelijk werd het Landgoed Tulder in 1939 bij Landgoed de Utrecht gevoegd en werd de textielfabrikant Van Puijenbroek eigenaar van Gorp.
Grote stukken woeste grond waren eerder al verkocht aan de Levensverzekeringsmaatschappij "De Utrecht" in 1898 en daarna, en in 1903 door de Oranjebond van Orde. Aldus werd van 1863 tot 1913 al 1473 ha woeste grond ontgonnen tot akkers en bos, voornamelijk door grootgrondbezitters. In 1907 werd verkoop aan grootgrondbezitters door de Provincie verboden. De gemeenten moesten nu zelf gaan ontginnen.
Niettemin werd in 1924 nog 200 ha grond verkocht aan de gemeente Tilburg, ten behoeve van de aanleg van vloeivelden. Dit gebied werd in 1938 nog uitgebreid met grond voor een militair oefenterrein. Dit tussen de Goirlese Dijk en het Wilhelminakanaal gelegen gebied vormde de basis voor het latere recreatiepark Beekse Bergen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden opnieuw Nederlandse soldaten ingekwartierd. Bovendien moesten er Belgische vluchtelingen worden opgevangen. Velen van hen werden te werk gesteld op Landgoed de Utrecht. Brood mocht worden uitgevoerd en petroleum werd over de grens gesmokkeld. In de bossen werden door de smokkelaars zelfs ondergrondse olietanks aangelegd. De sigaren- en schoenenindustrie lag echter goeddeels stil door gebrek aan grondstoffen.
In 1939 kwamen, na de mobilisatie opnieuw Nederlandse troepen in Hilvarenbeek. Op 11 mei 1940 kwamen de Fransen, die vluchtten voor de Duitsers, welke op 12 mei de plaats bezetten. De burgemeester J.C. de Rooy nam in 1942 ontslag en in 1943 trad de NSB'er Bressers aan als burgemeester. Er waren uiteraard verzetsgroepen actief, en een aantal leden daarvan vonden de dood.
Na de bevrijding, begin oktober 1944, waren er nog Duitse stellingen aanwezig ten noorden en ten westen van Hilvarenbeek. Deze waren met mijnenvelden afgeschermd. Een drie weken durende artilleriebeschieting volgde en de bewoners van Hilvarenbeek moesten vluchten naar Hooge Mierde en Lage Mierde. Op 27 oktober 1944 werden echter Goirle en Tilburg bevrijd en was de situatie veilig.

Agenda
Er zijn geen toekomstige agendapunten.

SITEMAP

 
Veel gezocht:

Kamperen in Noord-Brabant

Hilvarenbeek